De clausule die weinig waard is, maar toch werkt

De clausule die weinig waard is, maar toch werkt

·5 min leestijdPraktisch Juridisch voor Leven en Werk

Je kent het waarschijnlijk wel. De opdracht is rond, de betaling is afgesproken, en dan staat er ergens halverwege het contract ineens dat je een jaar lang niet voor andere bedrijven in dezelfde sector mag werken. Op dat moment tekenen veel freelancers gewoon. Niet omdat het logisch voelt, maar omdat de klant anders de opdracht niet vrijgeeft.

Precies daar zit het probleem. Zo’n bepaling kan je gedrag maandenlang sturen, ook als die juridisch veel minder stevig is dan ze eruitziet. Het contract wint dan niet in de rechtszaal, maar in je hoofd.

Het echte effect ontstaat lang voor een rechtszaak

Volgens een analyse van het Economic Policy Institute gebruikt 49,4 procent van de private werkgevers non-concurrentieafspraken voor ten minste een deel van de werkenden. Dat raakt volgens die analyse tussen de 36 en 60 miljoen mensen. Bij zelfstandige opdrachtnemers behandelen rechters in veel staten zulke clausules inmiddels vaak als iets dat maar beperkt standhoudt.

Californië is daarvan het bekendste voorbeeld. Die staat verbiedt non-concurrentiebedingen al sinds 1941 op basis van Section 16600 van de Business and Professions Code, zoals deze juridische uitleg over de Californische regel samenvat. Het bronartikel stelt daarnaast dat nog eens 37 staten beperkingen hebben ingevoerd die handhaving tegen freelancers bijzonder lastig maken. Met andere woorden: bedrijven blijven deze tekst niet gebruiken omdat ze er zo vaak mee winnen, maar omdat veel mensen er vanzelf naar gaan handelen.

Angst is voor bedrijven goedkoper dan handhaving

Dat is ook de zakelijke logica. Veel van deze clausules zijn niet geschreven om uitgebreid uit te procederen. Ze zijn geschreven om je voorzichtig te maken. Je gaat dan uit jezelf minder pitchen, minder reageren op kansen en soms zelfs opdrachten weigeren die waarschijnlijk prima hadden gekund.

Data van de Federal Reserve Bank of Minneapolis laten zien hoe scheef die verhouding is. Slechts 10 procent van de werkenden probeert over zulke clausules te onderhandelen. Ongeveer een derde krijgt het contract pas nadat de opdracht al is geaccepteerd. Tegen die tijd heb je misschien andere klussen laten lopen, je agenda vrijgemaakt of apparatuur gekocht. De verzonken kosten doen dan het werk voor de opdrachtgever.

De rekening komt vooral bij de freelancer terecht

Voor een bedrijf kost het weinig om zo’n alinea op te nemen. Zelfs zonder rechtszaak kan de clausule al effectief zijn. Voor jou als zzp’er is de schade veel concreter: een klant die je niet durft aan te nemen, een doorverwijzing die je laat schieten, maanden waarin je onnodig op de rem trapt. Dat maakt dit soort contracttaal economisch slim voor de opsteller en duur voor de ondertekenaar.

Het artikel verwijst ook naar schattingen van de FTC waaruit zou blijken dat ongeveer 30 miljoen werkenden binnen deze groep vielen. Toch blijft een groot deel van de freelancers tekenen. Niet omdat de bepaling zo sterk is, maar omdat onzekerheid in de praktijk vaak genoeg is.

In 2024 verschoof het risico opeens

Daar kwam in 2024 een belangrijke verandering bij. Californië voerde volgens de analyse van SB 699 en AB 1076 regels in waarmee werkenden hun voormalige opdrachtgever kunnen aanklagen als een non-concurrentiebeding wordt opgelegd of zelfs geprobeerd af te dwingen. Dan gaat het niet alleen om een verbod voor de toekomst, maar ook om schadevergoeding en advocaatkosten. De clausule is daarmee niet langer alleen een drukmiddel richting de freelancer.

Federaal werd het beeld juist rommeliger. De poging van de FTC om non-concurrentie breed te verbieden werd onderuitgehaald. In september 2025 kondigde de toezichthouder volgens een analyse van Venable LLP aan dat handhaving per sector en per geval zou worden bekeken. Ondertussen gingen staten wel door. Voor freelancers betekent dat iets vrij praktisch: een oude clausule kan inmiddels meer risico opleveren voor de klant die haar opstelde dan voor de zzp’er die haar ooit tekende.

Tekenen zonder tegenvoorstel zegt ook iets over later

Veel freelancers tekenen nog steeds omdat ze denken dat het nodig is om de deal rond te krijgen, dat standaardcontracten vanzelf geldig zijn, of dat tegenspreken de sfeer verpest. Het bronartikel stelt juist dat die aannames vaak niet kloppen. In de praktijk kom je met een kort tegenvoorstel geregeld al ver, bijvoorbeeld door een non-concurrentiebeding te vervangen door een non-solicitatie van dertig dagen.

Dat is niet alleen juridisch relevant, maar ook relationeel. Een opdrachtgever leest uit jouw handtekening soms af hoeveel weerstand je later zult bieden bij scope creep, te late betalingen of discussie over intellectueel eigendom. Het contract wordt zo een gedragstest. Je ziet dezelfde logica terug in de boeteval van 25.000 dollar per freelancer, in de nieuwe Europese aanname van werknemerschap en in situaties waarin transparantiewetten rond AI carrièrekeuzes al beïnvloeden.

Dus als die alinea weer op pagina vier staat, is stil tekenen niet de enige rationele reactie. Vaak is één nuchtere rode markering genoeg om te testen hoe hard de clausule echt is.

Bronnen en Referenties

  1. Federal Trade Commission
  2. Economic Policy Institute
  3. Federal Reserve Bank of Minneapolis
  4. MJB Law Group
  5. Venable LLP

Lees over onze redactionele standaarden

Misschien vind je dit ook leuk: